Maand gedicht juni 2018

DE BOOM VAN MIJN VADER

 

Ik neem de ladder van de haken aan

de zijkant van de schuur. Er is een fractie

pijn wanneer hout mijn schouder raakt.

 

Achter in het huis ligt een smeedijzeren trap

als een sluimerende spier tussen de ingekapselde

jarenlange kamers van spreken en dromen.

 

Ik zet de ladder tegen de notenboom

die wijlen mijn vader plantte. Mijn ogen

schuiven over mijn benen naar mijn voeten.

 

Mijn handen houden vast. Ik klim, de kruin

verdwijnt in een wegjagende wolk. Ik laat los,

mijn vaders stem wordt de mijne. Ik val niet.

 

(F.A.Brocatus - ongepubliceerd)

Maand gedicht mei 2018

WEILAND MET STOELEN

 

Je hebt er nooit bij stilgestaan

en ineens is het zo: je ziet

hoe stoelen in de kamers

 

van het huis hun tafels hebben

achtergelaten. Uiteindelijk lukt

het je om de klemmende ramen

 

te openen. Het waait harder

dan je dacht. Je laat je ogen

los. Ze fladderen. Ze klapwieken.

 

Het worden scherende merels.

In een weiland strijken ze neer

op leuningen. Van bekende stoelen.

 

(F.A.Brocatus - ongepubliceerd)

 

Maand gedicht april 2018

"DOODGAAN IS ALSOF JE EEN TELEVISIETOESTEL UITZET"

( in memoriam F.Starik 1958 - 2018)

 

Ik sprokkel klinkers en medeklinkers

en kijk vanaf de reling naar beneden in het

water klotst en kletst wat ik niet uitspreek.

 

Ik wens een einderschip met rode letters op

de boeg, bemand met heimweevolle matrozen,

gevolgd door schreeuwduikende meeuwen.

 

Het ruikt nog naar het eten van gisteren

in de gang. Je lege schoenen gluren onder

je jas, je lijf en leden zijn verdwenen.

 

Er is beloofd dat het niet eenzaam zal zijn en

ik weet dat er zo veel witte lellies zullen zijn dat

jij er eigenlijk bij zou moeten zijn om het te ruiken.

 

(F.A.Brocatus - ongepubliceerd)

Maand gedicht maart 2018

ZO STIL IS HET ALS IEDEREEN WEG IS

In memoriam Menno Wigman (1966 - 2018)

 

Ze droegen namen gemaakt uit een zacht

velours en ogen die zich verstopten in het

onbeschreven pochet dat bijna achteloos

 

in jouw borstzakje zat. Ze laaiden het vuur

dat ' s nachts donkerdieper en krullender was,

ze plooiden in momenten die je somtijds

 

heilig noemde. Later en alleen rookte je nog

een sigaret, je keek naar haperend licht rond

torens. Er was iets roestig in jouw bloedbanen.

 

Toen al. Je kleefde opgespaarde woorden onder

een gebarsten spiegel. En plots viel het bonken van

jouw hart zoals een dubbele kloosterdeur in het slot.

 

(F.A. Brocatus - ongepubliceerd)